U ziet hier een vervanging van de echte website. Deze paginas onthouden alleen de meest belangrijke informaties en zijn niet voor elk internetbrowser geoptimalizeerd. Voor de echte website met alle functies heeft u het Flash-Plugin nodig.
Download Flash-PlugIn!
Zeilverhaal 3 / 3
Orspronkelijke titel:
Die 13 1/2 Leben des Käpt'n Blaubär
Titel: De 13 1/2 levens van kaptein Blauwbeer
Auteur: Walter Moers
Uitgeverij: Bert Bakker
Hardcover
ISBN: 90 3512 2437
Zeilverhalen
De 13 1/2 levens van kaptein Blauwbeer
In Duitsland is "Käpt'n Blaubär" vooral bekend uit de televisieuitzendingen van de kinderen, waarin hij enkele van zijn ongelooflijke verhalen uit zijn levens vertelt.
(Een blauwbeer heeft 27 levens.)
Het boek van Walter Moers, de duitse striptekenaar wordt echter ook door veel volwassenen gelezen. Het is een verzameling van fantsierijke, spannende en grappige vertellingen over de 13 1/2 verschillende levens van deze blauwbeer op het vergane continent Zamonie.
Verhalen over zijn leven in de stad Atlantis, of in de kop van een reus of aan boord van de "Molloch", een reusachtig stoomschip en de vele verschillende "menselijke" wezens, die vaak herkenbare eigenschappen van bekenden uit het werkelijke leven hebben, doen de lezer steeds weer verbaasd staan over de schijnbaar grenzeloze inventiviteit van de schrijver.
"Käpt'n Blaubär Bakker" ist schon dreimal mit einem
Blaubär-Fanclub gesegelt.
Knipsel
... De dwergpiraten waren de heersers over de Oceaan van Zamonië. Alleen wist niemand dat, omdat ze zo klein waren dat niemand ze opmerkte. Geen golf was de dwergpiraten te hoog, geen storm te machtig en geen draaikolk te sterk om te trotseren. Ze waren de dappersten van alle zeelieden en zochten voortdurend uitdagingen om hun nautische vaardigheden te bewijzen in het ergste natuurgeweld. Alleen zij waren door hun buitengewone zeemanskunsten in staat het tegen de Maalstroom optenemen.
En zo waren ze in de draaikolk terechtgekomen - luter uit vermetelheid -, weerbarstig hun piratenliederen brullend. Hun uitkijk in de mast, die aandachtig naar het wateroppervlak tuurde op zoek naar de gunstigste golventunnels en
stromingen, had me met zijn piepkleine verrekijker ontdekt. Ik stond op het punt in de Maalstroom te verdwijnen.
Ik kon mezelf dubbel gelukkig prijzen dat uitgerekend de dwergpiraten me aantroffen, want iemand van normale grootte had me waarschijnlijk over het hoofd gezien. Ze haalden me aan boord, hesen me in een oliepak en bonden me met dikke touwen aan een mast vat, wat ik toen erg vreemd vond, maar wat wel zo veilig was. Ondertussen gingen ze - alsof het de gewoonste zaak van de wereld was - verder met hun heldhaftige strijd tegen de elementen. Ze klommen als eekhoorntjes in de masten op en neer, hesen de zeilen en streken ze weer, in een tempo waar je duizelig van werd als je er alleen naar keek. Ze wierpen zich als één man naar bakboord als tegenwicht bij een schommeling, dan weer naar stuurboord, naar de boeg of de achtersteven. Ze pompten water weg, verdwenen in de buik van het schip om met volle emmers weer naar buiten te komen, sprongen uit luiken en slingerden aan touwen heen en weer. Ze waren voortdurend in beweging draaiden aan het stuurwiel, schreeuwden naar elkaar, hingen met z 'n allen aan een groot zeil om het nog sneller uit te vouwen, haalden touwen binnen, en vergaten daarbij geen seconde hun piratenliederen te zingen. Ik meen me zelf te herinneren dat
een van hen onafgebroken het dek schrobde.
Het bruisende schuim sloeg over het schip, dat schuin kwam te liggen, zich weer oprichtte en zelfs meermalen kopje-onder ging, maar niet zonk. Ik kreeg voor het eerst zeewater binnen en ik moet toegeven: het smaakte niet slecht. We gleden door golftunnels, voeren op kolossale schuimbergen, werden hoog in de lucht geworpen en weer diep in zee gedrukt. Het piratenschip werd heen en weer geslingerd, door reusachtige golven gebeukt, geslagen en bespuugd, maar de dwergpiraten lieten zich niet van de wijs brengen. Ze schreeuwden tegen de zee, spuugden terug en staken tartend met hun enterhaken naar de golven. ...