U ziet hier een vervanging van de echte website. Deze paginas onthouden alleen de meest belangrijke informaties en zijn niet voor elk internetbrowser geoptimalizeerd. Voor de echte website met alle functies heeft u het Flash-Plugin nodig.
Download Flash-PlugIn!
Zeilverhaal 2 / 3
Titel: Kop in de wind (Bussum, 1975)
Auteur: Hylke Speerstra
Uitgeverij: De Boer Maritiem
Paperback
ISBN: 90 228 1939 6
Zeilverhalen
Kop in de wind
"Kop in de wind" is een verzameling van verhalen over het leven vamn alledag van de nederlandse schippers en hun gezinnen rond de eeuwwisseling naar de 20e eeuw. Spannend en met veel details wordt het harde en meestal zeer arme leven aan boord van de zeilschepen zoals de Zwadde beschreven.
In het boek vertellen 26 schippers in een zeer persoonlijke stijl over hun belevenissen in deze tijd.
Bijzonder interessant is, hoe vituoos zij hun handwerk beheersten en onder de meest tegenwerkende omstandigheden hun doel bereikten - en dat alles zonder motor.
Knipsel uit "Hoop" van H.H. Hofker (1896)
...Op een vrijdag troffen we - mijn knecht Jan en ik - bij Harlingen eens weer, waar het geen varen bij was. Maar ja, je wilt op het laatst toch wel eens naar huis toe. Dus wij staken toch maar van wal. Ik zette alleen maar de stormfok op, achter de mast, en zo stoven we op Ameland af. We waren nog niet halfweg, toen ik een motorschip in het oog kreeg, dat in nood zat. Wij erheen. Met moeite kwamen we langszij, maar er was op dat schip al geen leven meer te bekennen. Later hoorde ik, dat de reddingboot ze al had opgepikt.
Toen we weer verder voeren, liep er ons zo'n stuk zee achterop, dat de sloep, die achter ons schip hing, finaal over het dek sloeg en bij de boeg weer in het water terechtkwam. Ik heb de sloep nooit meer teruggezien.
Mijn vrouw heeft wel eens een hele nacht op mij staan wachten. Als ik er dan tenslotte aankwam, was het meteen goed ook. Maar ik wist, dat ze een hekel had aan laag water, harde wind of slecht zicht. Toen Jan zijn been brak en ik geen andere knecht kon krijgen, zei 'k: "Je moet me helpen". Het ging goed met haar. Het viel steeds mee met het weer - op één keer na. Er stond toen een best stuk zee, maar we konden nog net varende blijven. Toch vertrouwde ik in Harlingen de lucht niet helemaal. Samen met schipper Bruin van Hollum vertrokken we en voeren achter elkaar aan naar de Ballumer Bocht. Daar moesten we elk een kant uit.
Het was hardstikke nacht geworden. Ik stuurde het schip naar stuurboord en we kregen zo'n stuk water over,
dat alles voorop kraakte en van zijn plaats schoof. "Hou jij het roer", riep ik tegen Riek, "ik moet even naar voren". Toen ik daar bezig was de boel weer vast te zetten, kwam me daar toch een bonk water aanzetten; het leek meteen wel, alsof we al gezonken waren. Ik hield me ergens aan vast en toen ik merkte, dat het schip nog voer, ben ik als de weerga weer naar achteren gekropen. En toen beleefde ik het benauwdste ogenblik van mijn leven: ik was al bijna weer achterop, toen ik nog steeds geen Riek zag.
"Ben je er nog?" schreeuwde ik. "Ja, hier ben ik", zei ze. Het klonk zo ijskoud, alsof er niks aan de hand was. Ze had zich vastgehouden aan het helmhout.
Maar zoals je ziet, we zijn allebei aangekomen....